De derde editie van Dichter bij de Wijk

Voorafgaand aan haar voordracht vroeg Eva Broekman aan het publiek of men vond dat gedichten moesten rijmen. Een duidelijk antwoord kreeg ze niet. Het maakte ook niet uit. Tijdens de derde editie van de poëziemiddag ‘Dichter bij de Wijk’, op 11 oktober in de Oosterkerk, kwamen alle denkbare dichtvormen voorbij; van strak gecomponeerde lightverse met een duidelijk rijmschema tot zeer absurdistische performances, waarbij de uitvoering minstens zo belangrijk was als de tekst. Waar iemands voorkeur ook lag, er was altijd wel iets van zijn gading bij.

Op deze middag, die georganiseerd was door leden van de werkgroep ONS, aangevuld met

voormalig ONS-lid Jacqueline Pieters, lazen twaalf dichters voor uit eigen werk. Zowel gevestigde namen als begin-nende poëten traden voor het voetlicht. Eén ding hadden ze in ieder geval met elkaar gemeen – ze kwamen allemaal uit Groningen en de naaste omgeving. Bart Adjudant, onze wijkdichter, leidde iedere deelnemer op persoonlijke wijze in – en droeg ook zelf poëzie voor. Flora en Ariean de Bie verzorgden de muzikale intermezzo’s. Dit zangduo behoefde geen nadere introductie. De twee hebben de afgelopen zomer bij verschillende evenementen in de wijk opgetreden en waren bij de meeste bezoekers bekend. 

Sommige gedichten moet je een aantal keren lezen voor je er vat op krijgt, andere gedichten spreken je direct, op het eerste gehoor, al aan. Zo werd ik meteen getroffen door een gedicht van Eva Broekman.

Er zitten groeven in je gezicht; wees bang voor aardbevingsschade

Je huid verschuift als je lacht, dat weet je toch wel?

Dus blijf je stil

Beweeg je alleen je ogen, en soms je mond

Om te zeggen dat je nog wel

van me houdt

4 op de schaal van Richter

Amper voelbaar

Eva Broekman

Het gedicht ‘Lijmpoging’ van Reinier van Delden – dat gaat over een vergeefse poging de relatie met een ex-geliefde te herstellen – is te lang om hier in zijn geheel weer te geven. Ik citeer enkel het aangrijpende slot.

Dit kwam nooit meer goed.

Er was teveel gebeurd.

Ik had dat voor mijzelf al toegegeven.

Bij haar was er nog hoop.

Ik kon ’t zien aan haar ogen.

Ogen waar ik ooit voor gevallen was.

Blauwe kijkers.

Het bleek een vergissing.

Met verstrekkende gevolgen.

Een jaar later was ze dood.

Huilen.

Schreeuwen.

Van de familie begreep ik dat de crematie plechtig was verlopen.

Aandoenlijk vond ik het gedicht ‘Om je liefde’ van Emily Wortel dat ze opdroeg aan haar echtgenoot met wie ze inmiddels meer dan vijfentwintig jaar getrouwd is.

Als jij en ik samen

samen zo tevree

ineengestrengeld liggen

arm om arm, been om been

En ik moet niks

Je bent er altijd

Vindt me zo mooi

Je vanzelfsprekendheid

morgen als ik moeilijk doe

laat je me zijn, spreekt me toe

Het is het weten, je rust je blik

Ach jij en ik samen

samen zo tevree

ineengestrengeld slapen

arm om arm, been om been

Kasper Peters – voormalig stadsdichter en voormalig wijk-genoot – las, onder andere, het speelse gedicht ‘De bende  van a en e’ voor.

De o is veel te dromerig

de u is meestal oud

de i doet altijd zielig

en de ij die laat me koud

maar lang leve de a en e

van helden en gevaren

van draken en van gekken

en patat en halve garen

de bende van de a en e

van vet en lekker smakken

van warm en zee en zand

en samen taarten bakken

De o van dom, de u van duf

de i van pil, de ij van pijn

wat was de taal een sukkel

als er geen a of e zou zijn 

Kasper Peters droeg zijn gedichten met stemverheffing en expressieve handgebaren voor. Hij maakte er een mooie show van. Maar hij viel qua theater geheel in het niet bij Erik de Boer die met zijn absurdistische gedichten een complete dadaïstische voorstelling gaf. Hij schreeuwde, stampte en brieste vanaf het podium zijn poëzie over de toehoorders uit. Hij speelde met klanken. In alle toonaarden riep hij ‘bloed, bloed, bloed’, jongleerde met het woord ‘aalscholver’ en herhaalde steeds maar weer de zin Mijn naam is Erik de Boer – om aan het slot te concluderen Ik vind mijn naam soms een beetje vreemd.

Van de andere dichters noteerde in de gauwigheid een zin die me aansprak. Zoals Wat als de taal van je moeder niet uit woorden bestond, maar uit handen en voeten van Willemijn van der Walle. En Ik wil dat je naar slaap ruikt als ik thuis kom van Pieter Jan Kruizinga. Jelger Staal schreef een gedicht over zijn beste vriend die alcoholist

is. Met de zin De eerste keer dat ik je dronken zag toen je dagenlang in coma lag. Van Femke de Heer is de regel Nog altijd sla je de deur te hard achter je dicht. Van Michael ter Maat onthield ik de zin Jouw huidskleur is de voorbode van iets groters en van Sylvia Dragtstra Regen houdt nooit meer op.

De dichter Kees Stip (1913-2001) heeft jarenlang, onder het pseudoniem Trijntje Fop, dierenversjes geschreven, vaak met een plaatsnaam in de eerste regel. Dit is uitgegroeid tot een apart genre, de zogeheten Trijntje Fops. Niek Kalberg is een virtuoos beoefenaar van deze dichtkunst. Ik geef enkele voorbeelden.

Op een muis

Een muis loopt vaak in Zoetermeer

Tussen de files heen en weer

‘Je komt mij zo van acht tot negen

Steeds op dezelfde snelweg tegen

Dat je gevaarlijk bezig bent?

Raak je als spitsmuis aan gewend’

Op een beer

Een bruine beer is in Maasbracht

Zojuist veranderd van geslacht

‘Als kleine pup zo weet ik nu

Was ik al elhabetequ

En straks herkent u mij niet meer

Nu ik berin ben, ik wasbeer’

Alfred Brink die als missionair opbouwwerker verbonden is aan de Oosterkerk, overhandigde iedere dichter, na afloop van zijn voordracht, een zonnebloem. En hij sloot ook de bijeenkomst af. Hij deed dit met het voorlezen van een zelfgeschreven haiku – waarmee hij nóg een versvorm toevoegde aan het rijke palet aan poëzie dat tijdens deze editie van ‘Dichter bij de Wijk’ al aan bod was gekomen. Bij ons in het noorden bloeit de dichtkunst in vele varianten – dat is die middag in de Oosterkerk wel duidelijk geworden. 

Alfred Brink